Frankrijk, het midden van de 19e eeuw. De Académie des Beaux-Arts omklemt de nationale kunstwereld met een ijzeren greep. De traditionele Académie wil de standaarden van Franse kunst zoveel mogelijk behouden. De Académie prefereert gedetailleerde schilderijen die met uiterste precisie zijn uitgewerkt en historische, religieuze en mythologische taferelen als onderwerp hebben. Deze sleur is niet voor iedereen weggelegd. In de vroege zestiger jaren ontwikkelen een handjevol jonge schilders een nieuwe stijl, die later impressionisme wordt genoemd.

 

Impressionistische werken kenmerken zich door hun stilistische weergave van de werkelijkheid. Het doel is niet om zo fotorealistisch mogelijk te schilderen. Impressionisten willen juist ‘het moment’ vastleggen. Ze willen onderzoeken hoe we de realiteit met onze eigen ogen ervaren.  Onze ogen werken namelijk niet als een camera, maar geven de realiteit op imperfecte wijze weer. Dit is wat de impressionisten vast wilden leggen. Met korte, maar zichtbare, penseelstreken brengen ze de essentie van hun onderwerp naar buiten en niet zozeer de details. Veel aandacht gaat naar de manier waarop natuurlijk licht werkt. Reflecties en schaduwen vormen een prominent onderdeel van impressionistische werken. Tevens blaken ze van de beweging. Impressionisten probeerden niet de realiteit te bevriezen, maar wilden juist de beweeglijkheid van het leven tonen.

 

Qua onderwerpen wijken de impressionisten ook af van de traditionele Académie. Het normale leven van de stedelijke middenklasse staat centraal, en vaak ook de natuur. Ondertussen wordt het onderscheid tussen onderwerp en achtergrond zo klein mogelijk gemaakt. De werken moeten tonen hoe mensen de wereld zien.

 

De Dood van Socrates – een typisch voorbeeld van de standaarden van de Académie

 

In vergelijking

Impressionisme en fotografie lijken op het eerste gezicht sterk met elkaar overeen te komen. Beiden zijn een momentopname van de werkelijkheid. Aandacht is er voor licht en reflecties, net als deze op foto’s worden vastgelegd. Bovendien experimenteren de impressionisten met bijzondere perspectieven en het bijsnijden van de actie (croppen). Ook onderwerpen sluiten bij elkaar aan. Foto’s hebben veel meer weg van de dagelijkse taferelen van impressionisten dan de historische en mythologische onderwerpen van de Académie.

 

Fotografie en impressionisme kwamen ongeveer in dezelfde periode op. Al in het midden van de 19e eeuw konden foto’s snel en goedkoop worden gemaakt.  Impressionistische werken verschijnen kort daarna. Dat impressionisten door fotografie werden geïnspireerd in hun werken, is geen gekke gedachte. De foto’s toonden licht en beweging op een manier waarop het nog niet eerder was vastgelegd en focusten op het alledaagse. Veel impressionisten maakten zelf ook foto’s. Edgar Degas maakte een fotostudie van paarden in galop. Zo werd hij een meester in het vastleggen van de beweging en snelheid van een galopperend paard.

Race Horses – Edgar Degas

 

Tegelijkertijd zijn de verschillen tussen beiden ook duidelijk. Cruciaal is het verschil in de manier waarop ze ‘het moment’ vastleggen. Foto’s bevriezen de werkelijkheid, terwijl impressionisten juist de beweging van het moment willen vangen. Tevens zijn impressionistische schilderijen verre van fotorealistisch. Ze zien er vaak erg schetsachtig en onaf uit en zijn in dat opzicht ver verwijderd van foto’s. In tegenstelling tot foto’s tonen impressionisten hoe we de werkelijkheid zien.

 

Het hardste geluid in de discussie over de relatie tussen fotografie en impressionisme blijft echter roepen dat de opkomst van het impressionisme grotendeels te danken is aan de komst van fotografie. De nieuwe manier waarop beweging en licht kon worden vastgelegd, en de plaatjes die dat creëerde zou essentieel zijn voor de opkomst van het impressionisme.

 

Maar is dit eigenlijk wel zo?

 

De Amerikaanse kunsthistoricus Kirk Varnedoe vindt van niet. Volgens hem valt de invloed die fotografie had over impressionisme erg mee. Er is geen verband tussen de fotografische stijl van impressionisme en invloed van foto’s zelf. Het gebruik van bepaalde perspectieven en bijsnijden waren fenomenen die al veel eerder in schilderijen voorkwamen. Andere kunstenaars experimenteerden al veel langer met deze technieken. Het gebruik was echter temporaal en spatiaal zo verspreid dat er geen patroon in te ontdekken is, en het niet tot een echte ‘stroming’ kwam. De impressionisten waren slechts de eersten die het implementeerden als kenmerk van hun stroming.

 

Varnedoe ziet bovendien geen enkele manier waarop foto’s nieuwe dingen konden leren aan de impressionistische kunstenaars. Foto’s tonen niets nieuws. De connectie tussen impressionisme en fotografie kan worden bereikt zonder foto’s. Alle specifieke technieken die impressionisten zogenaamd hebben overgenomen van fotografie zijn niet afhankelijk van het zien van een foto. Een kunstenaar hoeft maar door een vierkant van zijn vingers te kijken en hij heeft het effect van bijsnijden bereikt. Eveneens kun je unieke perspectieven ook bereiken zonder daar eerst foto’s van te zien. Het gebruik van technieken die typisch impressionistisch zijn hangt dus af van menselijke vindingrijkheid.

Het strand van Sainte Adresse – Claude Monet, het perspectief en andere technieken zijn volgens Varnedoe niet uniek voor het impressionisme

Varnedoe is er duidelijk over. Impressionistisiche schilderijen kennen wellicht veel overeenkomsten met fotografie, maar dat betekent niet dat ze er door beïnvloed zijn. Een tegengeluid komt van Françoise Heilbrun. Het verbaast haar dat de impressionisten het nooit over fotografie hebben. De fotografische visie is namelijk zo overduidelijk aanwezig bij impressionisten.

 

Toen fotografie ontstond was een foto maken nog niet zo makkelijk. Vaak moest het subject lang stilstaan om scherp op de foto te komen. Dit had te maken met de lange sluitertijd van camera’s, die nodig was om foto’s goed belicht te krijgen. Dit zorgde voor veel plaatjes die wij nu als onnatuurlijk zouden beschrijven, met mensen in allerlei starre houdingen. Vanaf de jaren vijftig van de negentiende eeuw werd het een rage om stereoscopische beelden te maken. Stereoscopische afbeeldingen bestaan uit twee dezelfde foto’s naast elkaar die wanneer er naar gekeken wordt de illusie van diepte geven. Nu werden deze al eerder gemaakt. In de jaren zestig werd het echter populair om het straatleven te fotograferen. Door de beperkingen van de technologie hadden deze foto’s bepaalde kenmerken. Er was qua onderwerp geen distinctie tussen persoon en achtergrond, het frame van de foto wordt op unieke manier gecropt, de foto’s hadden bijzondere perspectieven, en foto’s hadden soms een onaf gevoel door beperkingen van de camera.  Bovenal tonen dit soort foto’s het ‘moment’, en niet meer de starre composities van eerder. Dit zijn precies kenmerken die impressionistische schilderijen van die tijd ook hadden. Reden genoeg voor Heilbrun om te concluderen dat impressionisten in die tijd wel bekend móesten zijn met deze foto’s.

 

En hoe kan het ook anders? De impressionisten groeiden op met fotografie als nieuwste technologie. Ze konden observeren hoe fotografen experimenteerden met de techniek en hoe nieuwe ontwikkelingen werden gemaakt. Bovendien zijn impressionisten als schilders geïnteresseerd in het visuele. Waarom zouden ze niet op zijn minst interesse tonen voor fotografie?  Volgens Heilbrun kan het niet anders dan dat impressionisten werden beïnvloed of misschien zelfs wel geïnspireerd door fotografie.

Typische voorbeelden van foto’s uit de tweede helft van de 19e eeuw

 

De relatie tussen fotografie en impressionisme blijkt zodoende lastig te beoordelen. Aan de ene kant lijkt het evident dat de impressionisten zijn beïnvloed. De nieuwe technieken die fotografie liet zien, en de grote hoeveelheid aan foto’s die werden gemaakt suggereren dat de impressionisten hier inspiratie uit opdeden. Aan de andere kant toont Varnedoe dat kunstenaars al veel eerder deze technieken gebruikten, maar echter zo sporadisch dat het geen stroming werd als het impressionisme. Daarnaast maakte niet elke impressionist gebruik van fotografie.

 

Een algemene conclusie is zodoende lastig te trekken. In mijn mening is het impressionisme echt een product van zijn tijd. Een nieuwe generatie kunstenaars is ontevreden over de strikte regels van de Académie. Tegelijkertijd maken ze de ontwikkeling van een nieuwe technologie mee, die focust op het visuele. Sommige technieken die de fotografie biedt zijn al eerder hier en daar gebruikt, maar de massaliteit van fotografie werkt als een geleider die al deze eerdere pre-impressionistische technieken bundelt. Geïnspireerd gaan ze aan de slag; het impressionisme is geboren.

Het is de missie van MuseumTV om een zo breed mogelijk publiek in aanraking te brengen met kunst en cultuur. Dit doen wij op ons gezamenlijke video on demand-platform voor de Nederlandse musea. Via onze partners brengen wij het platform actief onder de aandacht van het Nederlandse publiek.

expand_less