In zijn kindertijd woonde hij in de Russische stad Sint-Petersburg, waar zijn vader als ingenieur werkzaam was in de treinindustrie. Tijdens een vakantie bij familieleden in Londen werd Whistlers liefde voor kunst aangewakkerd.

Whistlers schoonbroer, Francis Haden, was arts en kunstenaar. Hij liet Whistler kennismaken met fotografie en schonk hem een aquarelset met instructies. Whistler begon kunstboeken te verzamelen en de verschillende schildertechnieken van diverse kunstenaars te bestuderen. Zijn plannen om kunstenaar te worden werden abrupt beëindigd toen zijn vader stierf. Het gehele gezin verhuisde terug naar Amerika, Pomfret in Connecticut om precies te zijn. Hij studeerde aan de United States Military Academy, maar al snel bleek dat hij lichamelijk niet sterk genoeg was. Hij werd toegelaten tot een andere tak van de academie, waar hij landkaarten leerde maken.

De jaren na de militaire academie

Na zijn academische jaren begon hij met het ontwikkelen van landkaarten voor militaire en maritieme doeleinden. Dit nam hij echter niet zeer serieus. Op de landkaarten tekende hij zeemeerminnen, walvissen en andere zeewezens. Al gauw werd hij ontslagen, waarna Whistler besloot om zich volledig op de kunst te richten. Enkele maanden woonde hij bij Tom Winans, een vriend van gegoede afkomst. Winans stimuleerde Whistler verder te gaan in de kunst en bood hem een studio aan om in te werken. In 1855 besloot Whistler te verhuizen naar het bruisende Parijs, een broedplaats voor jonge kunstenaars. Hij studeerde kort aan de École Imperial et Spéciale de Dessin en werkte in het atelier van de Zwitserse kunstschilder Charles Gabriel Gleyre.

Beginjaren in de kunst

In de beginjaren had Whistler het zwaar, hij verkocht weinig werken en door het vele roken en drinken ging zijn gezondheid flink achteruit. In 1858 trok Whistler samen met kunstenaar Ernest Dellanoy door Frankrijk en Duitsland. In ditzelfde jaar schilderde hij zijn eerste zelfportret, geïnspireerd op het werk van Rembrandt. Hiernaast ontmoette hij de Franse realistische schilder en lithograaf Henri Fantin-Latour in het Louvre, waar ze beide de grote meesters bestudeerden. Via Fantin-Latour kwam Whistler in een interessante kunstenaarsgroep terecht. Deze avant-garde kunstenaarsgroep bestond onder andere uit Gustave Courbet, Alphonse Legros, Edouard Manet en de filosoof Charles Baudelaire. Whistler maakte kennis met de theorieën over moderne kunst van Charles Baudelaire. Baudelaire daagde de kunstenaars uit om mythologische thema’s overboord te gooien en zich te richten op het natuurgetrouw weergeven van het alledaagse leven.

Londen en Parijs

Rond 1860 reisde Whistler op een neer tussen Londen en Parijs. In Londen schilderde hij zijn eerste grote werk At the Piano in 1859. In het werk staat de bourgeoisie centraal, een sociale klasse waarin hij zelf opgroeide. De voorstelling laat een intiem moment tussen moeder en dochter zien. Moeder en dochter dragen rouwkleding. Het ‘zuivere’ wit werd in deze tijd gezien als een gangbare en gepaste kleur voor kinderrouwkleding.[1] Whistler portretteerde niet zomaar een moeder en dochter, maar zijn eigen nichtje en haar moeder. Het werk bevat stevige contrasten, zoals de zwarte en witte jurken, een sublieme compositie en een sterke uitkadering.

In 1861 keerde Whistler tijdelijk terug naar Parijs waar hij zijn befaamde werkSymphony in White, No. 1: The White Girl schilderde. Hij portretteerde zijn maîtresse/business manager Joanna Hiffernan. Critici zagen meerdere symbolische elementen in het werk. Zo stelde Jules-Antoine Castagnary dat het werk een allegorie was van een bruid die haar onschuld verloren had. Anderen dachten dat het werk geïnspireerd was op het literaire werk Woman in White geschreven door de Britse schrijver Wilkie Collins.

Salon de Refusés

Whistler diende het werk The White Girl in voor de Parijse Salon van 1863. Het werk werd genadeloos afgewezen en uiteindelijk tentoongesteld tijdens de zogenoemde Salon van de geweigerden. Deze tentoonstelling kwam op initiatief van Napoleon III tot stand, nadat er kritiek op de selectiecriteria van de jury van de Parijse Salon was gekomen. Op de Salon de Refusés hing het werk naast Édouard Manets Le déjeuner sur l’herbe. Deelnemers van latere salons waren onder andere Paul Cézanne en Camille Pissarro.[2]

Het werk van Whistler werd tijdens de Salon op meerdere manieren geïnterpreteerd. Echter bevat het werk geen diepere betekenis en is het alleen een studie van een jonge vrouw in het atelier van de kunstenaar.[3] In latere werken staat Hiffernan gekleed in Aziatische jurken een aantal keren model. Tijdens deze periode sloot Whistler vriendschap met Gustave Courbet, al was deze vriendschap niet van lange duur. Hiffernan begon als naaktmodel voor Courbet te fungeren, iets waar Whistler totaal niet van gediend was en verbrak met beide het contact.

Nocturnes

In 1866 maakte Whistler een reis naar Valparaíso in Chili. Tijdens deze reis schilderde Whistler zijn eerste drie nachtelijke composities, genaamdNocturnes. Tien jaar lang creëerde hij verschillende nocturnes van havens, de Londense rivier The Thames en parken. In de reeks nocturnes gebruikte Whistler nieuwe composities en Lecoqs methode om te schilderen vanuit het geheugen. Deze methode van de Franse schilder en leraar Horace Lecoq de Boisbaudran hield in dat je alleen de grote vormen schilderde, de details deden er niet toe.

Schrijven

Whistler publiceerde in 1885 zijn eerste boek Ten O’clock Lecture. In het boek zette Whistler uiteen dat kunst niet per se een morele of sociale functie had, zoals de academies stelden, maar dat het de verantwoordelijkheid van de kunstenaar was om authentiek te blijven. Daarnaast stelde hij dat de natuur nooit natuurgetrouw weergegeven kon worden en dat kunstenaars met hun eigen visie de natuur mooier konden weergeven dan zij was.[4]

Whistler was een karakteristieke man die veel verschillende contacten onderhield. Enkele vrienden en rivalen van Whistler waren de schrijver Oscar Wilde en kunstenaars Henry Labouchère, Auguste Rodin, Henri de Toulouse-Lautrec en Monet. Whistler had ook verschillende maîtresses, zoals Joanna Hiffernan en Maud Franklin. Uiteindelijk trouwde hij met de weduwe Beatrix Godwin en liet hij maîtresse Maud op een dubieuze manier achter.[5]
Whistler overleed in Londen in 1903. Het werk van de kunstenaar wordt gerekend tot het Brits impressionisme. Kunstenaars die hij beïnvloed heeft zijn de Nederlandse kunstschilder Breitner, de Glasgow Boys, de Engelse kunstenaar William Merritt Chase en John White Alexander.[6]

In navolging van tentoonstellingen in Edinburgh en Manchester in 1886 en 1887 moest de tentoonstelling het succes van Glasgow als centrum van industrie, wetenschap en kunst laten zien. Glasgow werd in die tijd namelijk niet alleen beschouwd als tweede stad van het Verenigd Koninkrijk, maar van het hele Britse Gemenebest. Allerlei buitenlandse producten toonden wat een groot internationaal handelsnetwerk Glasgow had.

Van Houten Cacao uit Weesp had bijvoorbeeld op een goede locatie vlakbij de hoofdingang een ‘stand’ in de vorm van een (replica) 17e-eeuws Hollands huis, compleet met trapgevel en bakstenen en een ‘oudhollands’ interieur. Van Houten groeide in de jaren 1880 van 100 naar 600 medewerkers en verliet het fabriekspand in Weesp voor een groter complex buiten de stad. Deelname aan Internationale tentoonstellingen om de handel te bevorderen paste in dit beeld.

Van Houten Chocolade, Chocolade, houten chocolade, chocolade schotland, museumtv,

 

Op de achterzijde van de catalogus van de Fine Arts Section adverteerde Van Houten met een in Groot-Brittannië gedurfde stelling: ‘Being very strong and nutritious VAN HOUTEN’S Cocoa is CHEAPER AND MORE SATISFYING THAN TEA’ In Raffles Davison’s Pen-and-ink notes at the Glasgow Exhibition zijn maar liefst drie afbeeldingen aan het Van Houten-huis gewijd. In A Foreigners visit to the Glasgow International Exihibition beschreef Harold Hickman het chocoladehuis als volgt:

‘[…] for the reasonable sum of twopence, I indulged in a cup of delicious cocoa, served by a boy in blue with brass buttons. […] What a funny old place it is! Look at the Dutch tiles, at the solid oak panels, at the quaint furniture […]. But I am afraid my cocoa is getting cold. Oh, no, it’s all right. What beautiful stuff it is; I think I prefer it to tea. And the people, how polite; they gave me a little pac- ket of cocoa into the bargain. I must certainly go and see them again.

Mogelijk heeft de jonge Schotse architect Charles Rennie Mackintosh het café bezocht en is hij door dit succesvolle interieur beïnvloed bij zijn opdracht, jaren later, voor een ‘Dutch Kitchen’ [1906], een onderdeel van Miss Cranston’s Argyle Street tea-rooms. [2]

Zeker is dat Van Houten’s Cocoa House John Lavery heeft geïnspireerd: hij werd een soort artist-in-residence van de tentoonstelling en schilderde maar liefst vijftig doeken, waaronder één van het Cocoa House. De enorme afwisseling aan motieven was voor hem aanleiding om alles als een reporter vast te leggen, vaak in snelle olieschetsen. Het Dutch Cocoa House is één van de meest uitgewerkte schilderijen. Met ongeveer veertig andere werken was het in oktober van dat jaar te zien op een verkooptentoonstelling in de Craibe Angus Gallery in Glasgow [3].

Leroy vindt het werk onaf en slordig. Het artikel dat hij over de tentoonstelling schreef, kreeg de mokkende titel l’Exposition des Impressionnistes, verwijzend naar Monet’s schilderij. Onbedoeld gaf Leroy hiermee de geuzennaam aan één van de bekendste kunststromingen ter wereld: het impressionisme.

Glasgow Boys, Drents Museum, impressionisme, MuseumTV

Kenmerken van het impressionisme

Het impressionisme is niet eenduidig uit te leggen. De belangrijkste overeenkomst tussen de verschillende impressionisten is dat ze bezig waren met het vastleggen van een moment. Het ging hierbij niet om het afbeelden van de werkelijkheid, maar om de impressie van de werkelijkheid, hun eigen waarneming. Het verfgebruik verschilde enorm met de kunstenaars die wél op de Salon de Paris uitgenodigd werden hun werk te presenteren. Bij de ‘klassieke’ salonkunstenaars waren de verfstreken niet van elkaar te onderscheiden. Daarentegen legden de impressionisten de verf bijna op het doek, waarmee elke individuele toets zichtbaar werd. Ze werkten in de buitenlucht en gebruikte de dagelijkse werkelijkheid als onderwerp.

Het ontstaan

De groep ontstond rond 1860 in Parijs, waar gelijkgestemde kunstenaars afspraken in een van de vele cafés en bars. Claude Monet en Camille Pissaro ontmoetten elkaar op de Parijse kunstacademie Académie Suisse in 1859. Algauw raakten zij bevriend met Pierre-Auguste Renoir, Alfred Sisley en Frédéric Bazille. Deze laatste overleed in 1870, maar zijn atelier bleef een belangrijke ontmoetingsplek voor de impressionisten.

Nadat de groep kunstenaars in 1874 besloten een Salon des Réfusées te organiseren, noemden zij zich de Societé Anonyme des artistes, peintres, sculpteurs, graveurs. In het totaal organiseerden de groep acht Salons. Hierna viel de groep langzaam uiteen en kwamen er jonge kunstenaars op. Kunstenaars die deels de werkwijze van de impressionisten overnamen, maar mét een duidelijke eigen inbreng. De start van het post-impressionisme was gemaakt.

Bekende impressionistische kunstenaars

Claude Monet
Camille Pissarro
Pierre-Auguste Renoir
Alfred Sisley
Frederic Bazille
Edgar Degas
Edouard Manet
Auguste Rodin
Gustave Courbet

Het is de missie van MuseumTV om een zo breed mogelijk publiek in aanraking te brengen met kunst en cultuur. Dit doen wij op ons gezamenlijke video on demand-platform voor de Nederlandse musea. Via onze partners brengen wij het platform actief onder de aandacht van het Nederlandse publiek.

expand_less

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief

ontvang het laatste nieuws, tips en aanbiedingen
van MuseumTV.nl
Ik ga akkoord met de algemene voorwaarden en het privacy beleid.